Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
15 december 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 juli 2019 in een strafzaak betreffende oplichting. De verdachte werd door het hof veroordeeld en kreeg een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, waarbij bij niet-betaling vervangende hechtenis werd toegepast.
De verdediging stelde onder meer niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens ne bis in idem en voerde bewijsklachten aan, maar deze klachten werden door de Hoge Raad niet ontvankelijk verklaard omdat zij niet van belang waren voor de rechtsontwikkeling. De Hoge Raad oordeelde ambtshalve dat de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel niet correct was, verwijzend naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:HR:2020:914).
De Hoge Raad vernietigde daarom het onderdeel van het hofarrest waarin vervangende hechtenis werd toegepast en bepaalde dat in plaats daarvan gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. Hiermee werd de rechtspraktijk verduidelijkt omtrent de toepassing van dwangmiddelen bij schadevergoedingsmaatregelen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover vervangende hechtenis is toegepast en bepaalt dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.