Uitspraak
1.Het eerste geding in cassatie
2.Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake een naheffingsaanslag omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikking over heffingsrente voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2009.
Eerder had de Hoge Raad bij arrest van 19 oktober 2018 de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. In het onderhavige cassatieberoep heeft de Hoge Raad de middelen van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof.
Het voorwaardelijke incidentele beroep van de Staatssecretaris van Financiën vervalt omdat het principale beroep niet slaagt. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.