Uitspraak
1.De loop van het geding in cassatie tot dusver
2.Nadere beoordeling van het middel
3.Proceskosten
4.Beslissing
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, en
Hoge Raad
In deze zaak stond de uitleg van artikel 121, lid 1, van het Communautair douanewetboek centraal, betreffende de berekening van de douaneschuld bij invoergoederen die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst. De Staatssecretaris van Financiën was in cassatie gegaan tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam.
De Hoge Raad verwijst naar een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 oktober 2020, waarin werd vastgesteld dat artikel 121, lid 1, CDW zich verzet tegen het toepassen van een preferentiële tariefmaatregel die op het moment van plaatsing onder actieve veredeling gold, maar geschorst was bij het in het vrije verkeer brengen van de goederen.
Het Hof Amsterdam had geoordeeld dat de heffingsgrondslagen ook de preferentiële tarieven omvatten, waardoor de preferentiële tariefmaatregel alsnog toegepast moest worden. De Hoge Raad stelt echter dat dit een onjuiste rechtsopvatting is en dat het begrip heffingsgrondslagen niet de normale en preferentiële douanetarieven omvat.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof en verklaart de beroepen tegen de Inspecteur ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verklaart de beroepen tegen de Inspecteur ongegrond, waarbij een geschorste preferentiële tariefmaatregel niet kan worden toegepast.