De zaak betreft een buitenlandse belastingplichtige (belanghebbende) die een dividenduitkering ontving van een in Nederland gevestigde vennootschap (Holding). De Inspecteur had deze dividenduitkering belast als inkomen uit aanmerkelijk belang op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Belanghebbende voerde aan dat de heffing in strijd was met het Unierecht en de moeder-dochterrichtlijn, en dat het belang tot het ondernemingsvermogen behoorde.
Het Hof Den Haag oordeelde dat belanghebbende een substance-arme houdstermaatschappij was zonder economische activiteiten, en dat sprake was van een volstrekt kunstmatige constructie zonder reële betekenis. Het Hof stelde dat de antimisbruikbepalingen van de moeder-dochterrichtlijn en de vrijheid van vestiging geen belemmering vormden voor de heffing.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof, waarbij hij de uitleg van de subjectieve en objectieve voorwaarden van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet toelichtte. De Hoge Raad benadrukte dat de bewijslast bij de inspecteur ligt, maar dat de belastingplichtige de mogelijkheid moet krijgen om bewijs aan te dragen ter ontkrachting van een vermoeden van misbruik. De Hoge Raad vond geen onjuiste rechtsopvatting in het oordeel van het Hof en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.