Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 februari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond een transportbedrijf terecht voor het niet naleven van de meldplicht ex art. 47 Wet Pro vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) na een lekkage van ruim 14.000 kilo zoutzuur tijdens het lossen van een tankwagen op het terrein van een ander bedrijf. De kernvragen betroffen de toepasselijkheid van de meldplicht op de verdachte en de kwalificatie van het bewezenverklaarde gedrag, mede in het licht van de wetswijziging per 1 april 2015.
De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag, dat hem schuldig had bevonden aan de overtreding. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld, maar vond deze onvoldoende om het arrest van het hof te vernietigen.
De Hoge Raad heeft geen inhoudelijke motivering gegeven voor de verwerping, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform art. 81 lid 1 Wet Pro op de rechterlijke organisatie. Het arrest is uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de strafkamer tijdens een openbare zitting op 11 februari 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor overtreding van de meldplicht onder art. 47 WVGS.