ECLI:NL:HR:2020:217

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2020
Publicatiedatum
7 februari 2020
Zaaknummer
18/05156
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 45 lid 1 SrArt. 48 SrArt. 40 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplichtigheid poging tot doodslag door faciliteren schietincident in Hilversum

In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplichtigheid aan poging tot doodslag, gepleegd in september 2015 te Hilversum. De verdachte reed langs een café en stopte daar, waardoor de dader met een pistoolmitrailleur vuur kon openen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld op grond van artikel 287 juncto Pro 45 lid 1 en 48 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. Hij voerde onder meer bewijsklachten aan en beriep zich op (psychische) overmacht op grond van artikel 40 Sr Pro. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, gelet op artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het beroep werd dan ook verworpen.

Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in aanwezigheid van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 11 februari 2020.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte werd verworpen en de veroordeling voor medeplichtigheid aan poging tot doodslag bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/05156
Datum11 februari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 november 2018, nummer 21/003624-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren
Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 februari 2020.