Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
11 februari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor ontuchtige handelingen met een minderjarige onder de 16 jaar, feitelijke aanranding van de eerbaarheid en medeplegen van vervaardiging en bezit van kinderpornografie.
De verdachte stelde in cassatie meerdere klachten aan het hofarrest voor, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging konden leiden en hoefde daarom niet inhoudelijk te motiveren. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Gelet op deze termijnoverschrijding werd de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden verminderd tot 23 maanden. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 11 februari 2020 door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 24 naar 23 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.