Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 februari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een ripdeal waarbij verdachte en zijn mededaders het slachtoffer in een auto dwongen geld af te geven. Toen het slachtoffer een alarmpistool op de bestuurder richtte uit noodweer, staken verdachte en zijn mededaders hem meermalen met messen. Het hof oordeelde dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt omdat het slachtoffer zelf uit noodweer handelde en er dus geen sprake was van een wederrechtelijke aanranding.
Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank waarin verdachte werd bewezenverklaard van poging tot doodslag met meerdere messteken. De rechtbank en het hof baseerden zich op verklaringen van het slachtoffer, medeverdachten, DNA-onderzoek, en afgeluisterde gesprekken. Het slachtoffer had een groot geldbedrag bij zich en werd bedreigd met een mes, waarna hij probeerde te vluchten en werd gestoken.
De Hoge Raad herhaalde de relevante rechtspraak dat noodweer vereist dat de verdediging gericht is tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Omdat het slachtoffer zelf uit noodweer handelde, was er geen wederrechtelijke aanranding. De Hoge Raad vond de oordelen van het hof niet onbegrijpelijk of onjuist en verwierp het cassatieberoep. Daarmee blijft de veroordeling van verdachte in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor poging tot doodslag en wijst het beroep op noodweer af.