ECLI:NL:HR:2020:242

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2020
Publicatiedatum
11 februari 2020
Zaaknummer
18/05349
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in witwaszaak wegens voorhanden hebben contant geld

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 september 2018, waarin verdachte werd veroordeeld wegens het voorhanden hebben van een contant geldbedrag van ruim twee miljoen euro, in strijd met artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de motivering van de afwijzing van getuigenverzoeken en het verzuim van het hof om te beslissen op een herhaald getuigenverzoek. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het arrest kunnen leiden. Daarbij heeft de Hoge Raad volstaan met een summiere motivering, aangezien beantwoording van de klachten niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht.

Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, en uitgesproken op 11 februari 2020. Het beroep is verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof onverkort in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof Amsterdam blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/05349
Datum11 februari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 september 2018, nummer 23/004820-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 februari 2020.