Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
11 februari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 september 2018, waarin verdachte werd veroordeeld wegens het voorhanden hebben van een contant geldbedrag van ruim twee miljoen euro, in strijd met artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de motivering van de afwijzing van getuigenverzoeken en het verzuim van het hof om te beslissen op een herhaald getuigenverzoek. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het arrest kunnen leiden. Daarbij heeft de Hoge Raad volstaan met een summiere motivering, aangezien beantwoording van de klachten niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, en uitgesproken op 11 februari 2020. Het beroep is verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof onverkort in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof Amsterdam blijft in stand.