ECLI:NL:HR:2020:256
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen. Het hof had een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had geoordeeld over de redelijke termijn in het licht van eerdere jurisprudentie. Op grond van een recent arrest werd de redelijke termijn overschrijding anders beoordeeld, waardoor de vergoeding moest worden verhoogd.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de hoogte van de immateriële schadevergoeding betreft en stelde de vergoeding vast op in totaal €3.000, verdeeld over de Staatssecretaris van Financiën (€1.100) en de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) (€1.900). Tevens werden proceskosten en griffierechten verdeeld en toegewezen aan belanghebbende.
De uitspraak benadrukt het belang van een correcte toepassing van het redelijke termijn criterium en de toekenning van passende schadevergoeding bij overschrijding in bestuursrechtelijke belastingzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn tot €3.000 en veroordeelt de Staat en Staatssecretaris in proceskosten.