ECLI:NL:HR:2020:259

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2020
Publicatiedatum
13 februari 2020
Zaaknummer
18/04044
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 9 onder b RvArt. 9 onder c Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt internationale bevoegdheid en verwerpt cassatieberoep tegen Irak

In deze zaak heeft eiser, handelend onder eigen naam en woonachtig in Nederland, cassatie ingesteld tegen de Republiek Irak, die niet is verschenen. Het geschil betreft de internationale bevoegdheid en de rechtskeuze voor de Iraakse rechter in het kader van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).

De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de rechtbank Gelderland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden die aan de basis liggen van het geschil. De kernvraag was of het voeren van een gerechtelijke procedure in Irak onmogelijk is (art. 9 onder Pro b Rv) of onaanvaardbaar voor eiser (art. 9 onder Pro c Rv). De Hoge Raad heeft de klachten van eiser beoordeeld maar vond deze onvoldoende om het arrest van het hof te vernietigen.

De Hoge Raad motiveert haar oordeel niet uitvoerig omdat beantwoording van de klachten niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding, die nihil zijn aan de zijde van de Republiek Irak. Het arrest is gewezen door de vicepresident en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer18/04044
Datum14 februari 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser], tevens handelend onder de naam [eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: T. van Malssen,
tegen
DE REPUBLIEK IRAK,
zetelende te Bagdad, Irak,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Republiek Irak,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/05/312594/HA ZA 16-630/57/512 van de rechtbank Gelderland van 1 februari 2017;
het arrest in de zaak 200.220.438 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 augustus 2018.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen Republiek Irak is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Republiek Irak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
14 februari 2020.