Uitspraak
gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 februari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een groep vliegers en Martinair over de uitleg van een cao-bepaling inzake de ontslagvergoeding bij overtolligheid. De cao voorzag in een werkgeversbijdrage pensioenpremie van 18%, die in 2015 werd verhoogd naar 26,5%. De vliegers vorderden dat deze hogere premie bij de ontslagvergoeding moest worden betrokken.
De kantonrechter wees de vordering van de vliegers toe, maar het hof vernietigde dit vonnis en gaf Martinair gelijk dat slechts 18% pensioenpremie in aanmerking moest worden genomen. De vliegers stelden daarop cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte een vordering in reconventie in hoger beroep had toegewezen, terwijl deze niet in eerste aanleg was ingesteld, in strijd met artikel 353 lid 1 Rv Pro. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof voor zover het deze verklaring voor recht betrof en verklaarde Martinair niet-ontvankelijk in haar vordering. De kosten van het cassatiegeding werden gecompenseerd.
De overige klachten van de vliegers werden niet behandeld omdat zij niet van belang waren voor de rechtsontwikkeling. Hiermee werd de procedure definitief afgesloten met een vernietiging van het hofarrest en een niet-ontvankelijkverklaring van Martinair in haar vordering.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verklaart Martinair niet-ontvankelijk in haar vordering tot een hogere pensioenpremie bij ontslagvergoeding.