Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
18 februari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor eendaadse samenloop van witwassen. Het betrof het verborgen houden van een geldbedrag van €201.000 in twee koffers in een terrarium met krokodillen.
De verdediging voerde een middel van cassatie aan, onder meer gericht op de bewijskracht en de verklaring van verdachte over de herkomst van het geld. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden, mede omdat de verklaring van verdachte over de herkomst van het geld concreet en min of meer verifieerbaar was en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.
De Hoge Raad vond geen aanleiding tot nadere motivering, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.