Uitspraak
1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een verzoek om kwijtschelding van diverse belastingaanslagen. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende meerdere malen schriftelijk verzocht het griffierecht te voldoen, waarbij de eerste aangetekende brief wegens onbestelbaarheid werd teruggezonden. Na adresverificatie is de correspondentie per gewone brief alsnog verzonden.
Ondanks deze inspanningen heeft belanghebbende het griffierecht niet betaald en ook niet gereageerd op een tweede aanmaning. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb leidt dit tot niet-ontvankelijkheid van het beroep in cassatie. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.
De uitspraak bevestigt het belang van tijdige betaling van griffierechten en de procedurele consequenties bij nalatigheid, waarbij de Hoge Raad het beroep niet inhoudelijk heeft behandeld maar uitsluitend op ontvankelijkheid heeft beslist.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.