ECLI:NL:HR:2020:326

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2020
Publicatiedatum
24 februari 2020
Zaaknummer
19/00753
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorismeArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over opzettelijke overtreding meldplicht ongebruikelijke transacties door notaris

In deze zaak stond een notaris terecht voor opzettelijke overtreding van artikel 16 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. De verdachte had nagelaten ongebruikelijke transacties te melden bij het meldpunt, wat meerdere keren gebeurde.

De verdediging stelde onder meer dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk was wegens schending van de beginselen van een goede procesorde en het ne bis in idem-beginsel, aangezien er ook een tuchtrechtelijke procedure liep. Het hof had deze verweren onderzocht en gemotiveerd afgewezen.

De Hoge Raad heeft in cassatie de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat het hof voldoende had gerespondeerd op deze verweren. De bewezenverklaring van de bekendheid met het ongebruikelijke karakter van de transacties was toereikend gemotiveerd. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling in stand bleef.

De uitspraak benadrukt de afweging tussen strafrechtelijke en tuchtrechtelijke procedures en bevestigt dat samenloop niet automatisch leidt tot schending van het ne bis in idem-beginsel. De Hoge Raad vond geen aanleiding tot vernietiging van het arrest van het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van de notaris wegens het niet melden van ongebruikelijke transacties blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/00753 E
Datum3 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, economische kamer, van 1 februari 2019, nummer 22-004617-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam en R. van der Hoeven, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen‑Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 maart 2020.