Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
3 maart 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond een notaris terecht voor opzettelijke overtreding van artikel 16 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. De verdachte had nagelaten ongebruikelijke transacties te melden bij het meldpunt, wat meerdere keren gebeurde.
De verdediging stelde onder meer dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk was wegens schending van de beginselen van een goede procesorde en het ne bis in idem-beginsel, aangezien er ook een tuchtrechtelijke procedure liep. Het hof had deze verweren onderzocht en gemotiveerd afgewezen.
De Hoge Raad heeft in cassatie de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat het hof voldoende had gerespondeerd op deze verweren. De bewezenverklaring van de bekendheid met het ongebruikelijke karakter van de transacties was toereikend gemotiveerd. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling in stand bleef.
De uitspraak benadrukt de afweging tussen strafrechtelijke en tuchtrechtelijke procedures en bevestigt dat samenloop niet automatisch leidt tot schending van het ne bis in idem-beginsel. De Hoge Raad vond geen aanleiding tot vernietiging van het arrest van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van de notaris wegens het niet melden van ongebruikelijke transacties blijft in stand.