Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
14 januari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor betrokkenheid bij BTW-carrouselfraude, waarbij sprake was van een eendaadse samenloop van het opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting door een rechtspersoon, terwijl verdachte daartoe opdracht had gegeven, en valsheid in geschrift.
Het gerechtshof Amsterdam had verdachte eerder veroordeeld, waarna hij cassatieberoep instelde bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen zonder nadere motivering, omdat het niet noodzakelijk was om vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 14 januari 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam.