ECLI:NL:HR:2020:34

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 januari 2020
Publicatiedatum
13 januari 2020
Zaaknummer
18/05210
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.2 WVW 1994Art. 3 Politiewet 2012Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 359a Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie inzake rijden met ongeldig verklaard rijbewijs en inzet peilbaken

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 december 2018. De verdachte werd vervolgd voor het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Een belangrijk punt in het geschil was de inzet van een peilbaken door de politie, waarvan de verdachte stelde dat deze inzet niet gebaseerd kon worden op artikel 3 van Pro de Politiewet 2012 en dat het gebruik van het peilbaken in strijd was met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld, waaronder de vraag of het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was vanwege de inzet van het peilbaken en of sprake was van een onbehoorlijke vervolgingsbeslissing. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om inhoudelijk op de vragen in te gaan, mede op grond van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het beroep in cassatie is door de Hoge Raad verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend op 14 januari 2020.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/05210
Datum14 januari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 december 2018, nummer 21/006194-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.D. Groen, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 januari 2020.