ECLI:NL:HR:2020:340

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2020
Publicatiedatum
26 februari 2020
Zaaknummer
19/01760
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslag BPM

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin het hof de naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) had bevestigd. De Staatssecretaris van Financiën trad op als verweerder en diende een verweerschrift in. Belanghebbende reageerde met een conclusie van repliek.

De Hoge Raad heeft de ingebrachte middelen van belanghebbende beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Omdat de beoordeling van deze middelen geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling of rechtsvorming oplevert, is geen nadere motivering vereist conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft het oordeel van het hof in stand dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/01760
Datum28 februari 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 maart 2019, nrs. 18/00036 en 18/00039, op de hoger beroepen van belanghebbende en van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/2045) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.