ECLI:NL:HR:2020:341

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2020
Publicatiedatum
26 februari 2020
Zaaknummer
19/02214
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in zaak belasting personenauto’s en motorrijwielen

Belanghebbende, een besloten vennootschap, had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake door haar op aangifte betaalde belasting op personenauto’s en motorrijwielen. De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld, maar deze boden geen grond voor vernietiging van het hofarrest. Omdat de beoordeling van de middelen geen vragen opriep die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, was nadere motivering niet vereist.

De Hoge Raad heeft tevens overwogen dat er geen aanleiding bestaat om proceskosten aan de wederpartij toe te wijzen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020. Hiermee is het beroep in cassatie ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van het hof in stand blijft.

Deze zaak betreft een bestuursrechtelijk geschil over belastingheffing, waarbij de Hoge Raad de cassatiebeoordeling beperkt heeft gehouden gezien het ontbreken van relevante rechtsvragen voor het hogere rechtsniveau.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/02214
Datum28 februari 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 29 maart 2019, nrs. BK-18/01081 en BK-18/01082, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 18/33 en SGR 18/34) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.