Uitspraak
1.Het eerste geding in cassatie
2.Het tweede geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor nageheven loonheffing en omzetbelasting over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2012, inclusief boete, rente en kosten. Na eerdere vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad is het geschil behandeld door het Hof Arnhem-Leeuwarden.
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Hof, waarbij meerdere klachten werden aangevoerd. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in en belanghebbende een conclusie van repliek.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht volgens artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het cassatieberoep ongegrond. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.