In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie beoordeeld dat was ingesteld door belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 september 2019. Het betrof een belastingrechtelijke kwestie waarbij belanghebbende verzet had aangetekend tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank van 25 april 2019.
De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep onderzocht en heeft daarbij ook het advies van de procureur-generaal betrokken. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het beroep duidelijk niet kan slagen en heeft daarom het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk verklaard.
Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten aan belanghebbende op te leggen. Het arrest is op 28 februari 2020 in het openbaar gewezen door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Treuren.