Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
3 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor witwassen, oplichting en valsheid in geschrift. De verdachte had onder meer grote hoeveelheden contant geld en dure horloges in haar woning, waarvan werd vastgesteld dat deze afkomstig waren uit misdrijven. Tevens werd zij veroordeeld voor het valselijk opmaken van een hypotheekaanvraagformulier.
In cassatie werden meerdere klachten ingediend, waaronder over de bewijskracht van het witwassen en de toepassing van bewijsuitsluiting. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad pas na meer dan twee jaar uitspraak deed. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend wat betreft de duur van de straf en stelde de straf vast op vijf maanden en drie weken gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd met zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, vastgesteld op vijf maanden en drie weken waarvan drie maanden voorwaardelijk.