Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
3 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin de verdachte werd veroordeeld voor het deelnemen aan het verkeer onder invloed van alcohol met dodelijk gevolg. De verdediging voerde onder meer een verweer tot bewijsuitsluiting aan wegens het niet tijdig schriftelijk vastleggen van een mondeling gegeven vordering tot het verstrekken van camerabeelden.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht het bewijsuitsluitingsverweer heeft verworpen omdat de schriftelijke vordering alsnog binnen een redelijke termijn is gedaan en de camerabeelden pas daarna zijn verstrekt. De schending van het vormvoorschrift van artikel 177s lid 5 SvSM betrof slechts een lichte overschrijding van één dag en leidde niet tot aantoonbare schade voor de verdediging.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden naar 23 maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen en het arrest wordt uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 24 naar 23 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het bewijsuitsluitingsverweer wordt verworpen.