Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
3 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van oplichting en deelname aan een criminele organisatie in de periode van oktober 2000 tot juni 2001.
De Hoge Raad beoordeelde diverse cassatiemiddelen, waaronder klachten over bewijs en motivering, maar verwierp deze klachten zonder nadere motivering omdat ze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden vanwege te late toezending van stukken door het hof en de lange duur van de cassatieprocedure.
Als gevolg daarvan vernietigde de Hoge Raad het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de omvang van de opgelegde taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis. De taakstraf werd verminderd van 240 naar 216 uren, en de vervangende hechtenis van 120 naar 108 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van Schendel, met raadsheren Buruma en Röttgering, op 3 maart 2020.
Uitkomst: De taakstraf werd verminderd tot 216 uren en de vervangende hechtenis tot 108 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.