ECLI:NL:HR:2020:370

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2020
Publicatiedatum
29 februari 2020
Zaaknummer
19/01426
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 552a SvArt. 94a Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie tegen beslag op cryptocurrency in beleggingscarrouselzaak

In deze zaak stond centraal de vraag of niet-beslagen slachtoffers van een beleggingscarrousel als belanghebbenden konden worden aangemerkt in de zin van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, met betrekking tot het beslag op bitcoins en andere cryptocurrency.

De rechtbank Amsterdam had geoordeeld dat deze niet-beslagen slachtoffers geen belanghebbenden waren, hetgeen door de klagers werd bestreden in cassatie. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

De Hoge Raad heeft daarbij geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, en het beroep is verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank Amsterdam blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/01426 B
Datum10 maart 2020
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2019, nummers RK 18/6548, RK 18/6549 en RK 18/6550, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend
door
[klager 1] ,
geboren op [geboortedatum] 1964,
[klager 2] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
en
[klager 3] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de klagers.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klagers. Namens dezen heeft M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, bij gelijkluidende schrifturen een cassatiemiddel voorgesteld. Een schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 maart 2020.