ECLI:NL:HR:2020:39

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 januari 2020
Publicatiedatum
13 januari 2020
Zaaknummer
18/05113
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis.1.b SrArt. 440 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt kwalificatie witwassen en ontslaat verdachte van rechtsvervolging

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen van een geldbedrag. De bewezenverklaring omvatte dat verdachte in de periode van 25 december 2012 tot en met 28 mei 2013 samen met anderen een geldbedrag verwierf, voorhanden had en omzet terwijl hij wist dat dit afkomstig was uit enig misdrijf.

De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaring omtrent de pleegperiode juist is gemotiveerd, maar dat de bewezenverklaring dat verdachte het geldbedrag heeft omgezet onvoldoende is onderbouwd. Het hof heeft immers niet vastgesteld dat sprake was van handelingen die het omzetten van het geldbedrag in een ander voorwerp bewerkstelligden. Het enkele verdelen van het geldbedrag tussen medeverdachten is daarvoor onvoldoende.

Voorts slaagt de klacht tegen de kwalificatie van het verwerven en voorhanden hebben van het geldbedrag als witwassen. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd dat gedragingen gericht waren op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het gaat om de strafbaarheid van dit feit en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake hiervan. De overige bewezenverklaringen blijven onverminderd van kracht, zodat de strafoplegging ongewijzigd blijft.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het witwasfeit wegens onvoldoende motivering van het hof.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/05113 J
Datum14 januari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 27 november 2018, nummer 21/000844-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 21 ten laste gelegde en de strafoplegging en tot zodanige beslissing op de voet van art. 440 Sv Pro als de Hoge Raad passend oordeelt.

2.Beoordeling van het middel

2.1
Het middel is gericht tegen de bewezenverklaring en de kwalificatie van het onder 21 tenlastegelegde feit.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 21 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 25 december 2012 tot en met 28 mei 2013 te Culemborg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een geldbedrag heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft omgezet terwijl hij wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf”.
2.2.2
Het Hof heeft dit feit gekwalificeerd als medeplegen van witwassen.
2.3
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring, voor zover die inhoudt dat de verdachte het feit heeft begaan “in de periode van 25 december 2012 tot en met 28 mei 2013” en dat de verdachte een geldbedrag “heeft omgezet”, ontoereikend is gemotiveerd. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6-8 faalt deze klacht voor zover het gaat om de bewezenverklaarde pleegperiode, maar slaagt deze klacht voor zover het gaat om de bewezenverklaring van “heeft omgezet”. Dit hoeft echter op zichzelf niet tot cassatie te leiden, omdat ten laste van de verdachte tevens is bewezenverklaard dat hij het geldbedrag tezamen en in vereniging met een ander of anderen “heeft verworven en voorhanden heeft gehad”.
2.4
Het middel klaagt voorts over de kwalificatie door het Hof van het bewezenverklaarde (tezamen en in vereniging met een ander of anderen) verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag als witwassen. Deze klacht slaagt op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 en 10-13.
2.5
De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de zaak zelf afdoen door de verdachte ter zake van het onder 21 bewezenverklaarde feit te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daardoor worden de aard en de ernst van al wat voor het overige ten laste van de verdachte is bewezenverklaard - zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat‑Generaal onder 1 - niet aangetast, zodat vernietiging van de bestreden uitspraak ter zake van de strafoplegging achterwege kan blijven.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing ter zake van de strafbaarheid van het onder 21 bewezenverklaarde;
- ontslaat de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde onder 21 van alle rechtsvervolging;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 januari 2020.