Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
17 maart 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een politieagent die geschorst was en zijn dienstwapen niet had ingeleverd, bevoegd was om een vuurwapen en munitie voorhanden te hebben. De verdachte, een hoofdagent, was buiten functie gesteld en verzocht zijn uitrusting in te leveren. Desondanks werd bij een huiszoeking in zijn woning een dienstwapen en munitie aangetroffen.
Het hof stelde vast dat de verdachte geen vergunning bezat om een vuurwapen te hebben en dat hij het dienstwapen en munitie niet had ingeleverd ondanks de schorsing. De verdediging voerde aan dat het inleveren van het dienstwapen bij schorsing niet geregeld was en dat de verdachte daarom bevoegd was het wapen te bezitten. Het hof verwierp dit verweer op grond van de Vuurwapenverordening en de Uitrustingregeling.
De Hoge Raad bevestigde dat het wapenverbod niet geldt voor politieambtenaren tijdens de dienst, maar dat deze uitzondering niet van toepassing is als de agent buiten functie is gesteld en zijn uitrusting moet inleveren. Omdat de verdachte zijn wapen niet had ingeleverd, was hij niet bevoegd het vuurwapen en munitie voorhanden te hebben. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de verdachte niet bevoegd was het vuurwapen en munitie voorhanden te hebben.