Uitspraak
zetelende te Nijmegen,
gevestigd te [vestigingsplaats],
gevestigd te [vestigingsplaats],
gevestigd te Elst, gemeente Overbetuwe,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beslissing
13 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de gemeente Nijmegen en meerdere verweersters over de terugbetaling van circa €21 miljoen, betaald voor opstalrechten en opstallen. Na een bodemprocedure oordeelde de rechtbank dat verweersters toerekenbaar tekortgeschoten waren en veroordeelde hen tot betaling van €6.974.000, uitvoerbaar bij voorraad. De gemeente startte daarop de tenuitvoerlegging.
Verweersters vorderden in kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging wegens vermeende evidente fouten in het bodemvonnis, waaronder een spoorwisseling door de rechtbank en onvoldoende motivering van de uitvoerbaarverklaring. De voorzieningenrechter wees dit af, maar het hof schorste de tenuitvoerlegging en oordeelde dat de gemeente mogelijk misbruik van bevoegdheid maakte.
De Hoge Raad bevestigt dat bij executiegeschillen de maatstaf misbruik van bevoegdheid geldt en dat de door het hof aangewezen gebreken niet als kennelijke misslagen kunnen worden aangemerkt. Desondanks acht het hof de belangenafweging en de onevenredigheid van het belang van de gemeente bij voortzetting van de executie voldoende om misbruik aan te nemen. Het cassatieberoep van de gemeente wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de gemeente en bevestigt dat de maatstaf misbruik van bevoegdheid geldt bij executiegeschillen.