Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
17 maart 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond centraal de vraag of de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) kan worden aangemerkt als recht in de zin van artikel 79 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De verdachte, een wethouder met portefeuille handhaving, milieu en omgevingsvergunningen, werd vervolgd wegens het bouwen van een mestbassin zonder de vereiste omgevingsvergunning.
De verdediging stelde dat vervolging niet strookte met het beleid van het Openbaar Ministerie zoals vastgelegd in de LHS, en dat deze strategie als recht in de zin van artikel 79 RO Pro moest worden beschouwd. De LHS is een afwegingsinstrument dat handhavingsinstanties helpt bij een uniforme aanpak van omgevingsrechtelijke overtredingen.
Het hof verwierp dit standpunt en oordeelde dat de LHS zich niet leent om als rechtsregel jegens de verdachte te worden toegepast. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwijst daarbij naar een eerdere uitspraak uit 1990, waarin vervolgingsrichtlijnen niet als recht in de zin van artikel 79 RO Pro worden aangemerkt.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden. Hiermee blijft de LHS een beleidsinstrument zonder de status van recht, en kan het niet worden ingeroepen als rechtsregel in strafzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Landelijke Handhavingsstrategie geen recht is in de zin van artikel 79 Wet RO.