Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
21 januari 2020.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, omdat hij op 3 februari 2015 per e-mail dreigende teksten en foto’s stuurde naar een getuige, waarin hij onder meer verklaarde een gijzelaar te hebben en het gebouw te kunnen opblazen met gasflessen en benzine.
Het hof stelde vast dat de bedreiging concreet was en dat de politie de berichten zeer serieus nam, onder meer door een observatieteam in te schakelen. De verdachte aanvaardde bewust de kans dat de getuige de politie zou informeren. De bedreiging was niet rechtstreeks aan de politie gericht, maar de inhoud en omstandigheden maakten dat de bedreiging ook op politieagenten gericht was.
De Hoge Raad bevestigde dat voor een veroordeling vereist is dat de bedreigde op de hoogte is van de bedreiging en dat er redelijke vrees voor het leven ontstaat. Het hof had dit juist beoordeeld. Daarnaast werd een overschrijding van de redelijke termijn in cassatie vastgesteld, maar dit leidde niet tot rechtsgevolgen gezien de lichte straf.
Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling gehandhaafd.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling verdachte voor bedreiging met misdrijf tegen het leven gericht met geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf.