Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vierde middel
3.Beoordeling van het vijfde middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Beslissing
24 maart 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak betrof het een criminele en terroristische organisatie die zich bezighield met het opruien tot deelname aan gewapende strijd in Syrië, het werven van Syriëgangers, het financieren van terrorisme en het bevorderen van levensdelicten door jihadstrijders in Syrië. De verdachte werd veroordeeld voor verspreiding van tot terroristisch misdrijf opruiend materiaal en opruiing tot terroristisch misdrijf.
De verdediging voerde onder meer aan dat de vrijheid van godsdienst en meningsuiting zoals beschermd door het EVRM aan de strafbaarheid in de weg stonden. De Hoge Raad volgde de eerdere overwegingen in een samenhangende zaak en verwierp dit verweer.
Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden. Dit leidde tot een vermindering van de gevangenisstraf van elf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, tot tien maanden en twee weken, waarvan eveneens drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat deze geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot tien maanden en twee weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.