ECLI:NL:HR:2020:465
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een belastingaanslag op personenauto's en motorrijwielen. Het hof had een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte het criterium van verknochtheid van zaken toepaste bij de beoordeling van de redelijke termijn, zoals bedoeld in eerdere arresten. Hierdoor kan de uitspraak van het hof niet in stand blijven voor zover het de immateriële schadevergoeding betreft.
De Hoge Raad verhoogt de vergoeding van immateriële schade tot €3.000 voor bezwaar en beroep en tot €1.000 voor hoger beroep. Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën en de Staat in de proceskosten en bepaalt dat wettelijke rente gaat lopen indien de vergoeding niet tijdig wordt betaald.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de Staatssecretaris en de Staat in proceskosten.