ECLI:NL:HR:2020:471
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
Belanghebbende, VOF [X], stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een belastingaanslag personenauto’s en motorrijwielen. Het hof had een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze vergoeding onvoldoende was.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden en dat de vergoeding voor immateriële schade daarom moest worden verhoogd tot € 2.500 voor bezwaar en beroep en tot € 1.000 voor hoger beroep. De overige klachten van belanghebbende werden verworpen zonder nadere motivering.
Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën en de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten en bepaalde dat griffierechten deels aan belanghebbende moesten worden vergoed. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot €3.500 en veroordeelt partijen in proceskosten.