ECLI:NL:HR:2020:497

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2020
Publicatiedatum
23 maart 2020
Zaaknummer
18/05484
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 266 lid 1 SrArt. 267 lid 2 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belediging politieambtenaar door zingen lettercombinatie ACAB voorafgaand aan voetbalwedstrijd

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor het beledigen van een politieambtenaar door het zingen van de lettercombinatie 'ACAB' voorafgaand aan een voetbalwedstrijd in Amsterdam.

In cassatie werd aangevoerd dat verdachte niet wist van de betekenis van de lettercombinatie en werd een bewijs- en opzetklacht ingediend. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.

De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel nader toe te lichten, omdat de klachten niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd dan ook verworpen en het arrest van het gerechtshof bleef in stand.

De uitspraak benadrukt de toepassing van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie en bevestigt de strafrechtelijke kwalificatie van het zingen van 'ACAB' als belediging van een politieambtenaar conform artikel 266 lid 1 juncto Pro artikel 267 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht.

De Hoge Raad wees het arrest uit 2018 van het gerechtshof Amsterdam, nummer 23/001985-17, op 24 maart 2020, waarbij de verdachte werd veroordeeld voor deze gedragingen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling wegens belediging van een politieambtenaar blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/05484
Datum24 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 december 2018, nummer 23/001985-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 maart 2020.