Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
24 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor het beledigen van een politieambtenaar door het zingen van de lettercombinatie 'ACAB' voorafgaand aan een voetbalwedstrijd in Amsterdam.
In cassatie werd aangevoerd dat verdachte niet wist van de betekenis van de lettercombinatie en werd een bewijs- en opzetklacht ingediend. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel nader toe te lichten, omdat de klachten niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd dan ook verworpen en het arrest van het gerechtshof bleef in stand.
De uitspraak benadrukt de toepassing van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie en bevestigt de strafrechtelijke kwalificatie van het zingen van 'ACAB' als belediging van een politieambtenaar conform artikel 266 lid 1 juncto Pro artikel 267 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De Hoge Raad wees het arrest uit 2018 van het gerechtshof Amsterdam, nummer 23/001985-17, op 24 maart 2020, waarbij de verdachte werd veroordeeld voor deze gedragingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling wegens belediging van een politieambtenaar blijft in stand.