Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
24 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor het beledigen van twee politieambtenaren door voorafgaand aan een voetbalwedstrijd in Amsterdam de lettercombinatie 'ACAB' te zingen. Het hof had geoordeeld dat dit gedrag onder artikel 266 lid 1 juncto Pro artikel 267 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht viel.
In cassatie stelde verdachte een klacht over het bewijs van opzet, met name of hij de betekenis van de lettercombinatie 'ACAB' kende. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het niet nodig was om de motivering te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer. Het beroep werd verworpen en het arrest van het gerechtshof Amsterdam bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor belediging van politieambtenaren blijft in stand.