Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
31 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft het voorhanden hebben van een airsoftwapen dat sterk lijkt op een vuurwapen, aangetroffen in de gezamenlijke woning van verdachte en zijn ouders. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte het wapen bewust voorhanden had, ondanks dat het eigendom was van zijn vader. De verdachte had verklaard dat het wapen op een tafel in de woonkamer lag, dat hij en zijn vader het hadden schoongemaakt en ermee hadden geschoten.
De Hoge Raad bevestigt dat voor het begrip 'voorhanden hebben' vereist is dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen en feitelijke macht kon uitoefenen, ook als het wapen niet direct nabij was. Het hof had dit zorgvuldig gemotiveerd en rekening gehouden met de verklaringen van verdachte en zijn vader.
Het verweer van verdachte dat hij geen beschikkingsmacht had over het wapen en dat hij het niet mocht wegdoen, werd door het hof verworpen. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet onjuist is en voldoende is gemotiveerd. Het beroep in cassatie wordt verworpen en de veroordeling blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor het bewust voorhanden hebben van een airsoftwapen.