Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
7 april 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een wachtmeester van de Koninklijke Marechaussee die tussen juni 2016 en januari 2017 zonder noodzaak geheime informatie uit geautomatiseerde systemen heeft bevraagd voor eigen privégebruik. Het hof had geoordeeld dat dit handelen een opzettelijke schending van het ambtsgeheim opleverde, ook al was er geen verstrekking aan derden.
De verdediging voerde aan dat het schenden van een ambtsgeheim vereist dat geheime informatie aan onbevoegden wordt verstrekt, hetgeen hier niet het geval was omdat de verdachte de informatie niet met derden deelde. De Hoge Raad onderzocht de wetsgeschiedenis van artikel 272 Sr Pro en concludeerde dat 'schenden' moet worden uitgelegd als het verstrekken van geheime gegevens aan een ander die onbevoegd is tot kennisneming.
Hieruit volgt dat het enkel voor zichzelf ontsluiten van geheime informatie niet kwalificeert als schending van het ambtsgeheim. Het hof had dus een onjuiste rechtsopvatting gehanteerd. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling.
De uitspraak benadrukt de strikte interpretatie van het begrip 'schending' in het kader van ambtsgeheimen en verduidelijkt dat het enkel raadplegen van geheime informatie zonder verspreiding niet strafbaar is onder artikel 272 Sr Pro.
De Hoge Raad werd in deze zaak bijgestaan door de vice-president en twee raadsheren, en sprak het arrest uit op 7 april 2020.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.