Uitspraak
1.Het bestreden arrest
2.Het cassatieberoep
3.Procesverloop. Inhoud van het bestreden arrest
In de onderhavige procedure is de betrokkene door de officier van justitie een sanctie opgelegd op grond van de Wahv wegens “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen met 21 km/u”. Nadat namens de betrokkene daartegen administratief beroep was ingesteld, is de betrokkene daarin door de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat geen beroepsgronden waren opgegeven. In zijn beroep bij de kantonrechter tegen die beslissing is hij (opnieuw) niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet opgeven van beroepsgronden. Vervolgens is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof verklaart het hoger beroep van de betrokkene gegrond, omdat niet is gebleken dat zowel een brief van de griffier van de rechtbank (in beroep bij de kantonrechter) als een brief van de officier van justitie (in beroep bij de officier van justitie) daadwerkelijk is verzonden. In die brieven zouden zij de gemachtigde een termijn hebben moeten geven om zijn verzuim - het niet indienen van beroepsgronden - te herstellen. Dat gebrek leidt tot vernietiging van de beslissingen, gegeven in beroep, van de officier van justitie en de kantonrechter. Het hof heeft daarna onderzocht of de (sanctie)beschikking terecht was opgelegd. Het hof is van oordeel dat dit het geval is, zodat het beroep tegen de inleidende (boete)beschikking ongegrond is verklaard, waardoor de administratieve sanctie ter hoogte van € 177 in stand is gebleven.
4.Beoordeling van het cassatiemiddel
5.Beslissing
7 april 2020.