Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
7 april 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor rijden onder invloed met een bloedalcoholgehalte van 1,16 mg/ml. De verdediging voerde aan dat het bloedonderzoek niet voldeed aan de strikte waarborgen van artikel 8 lid 2 sub b WVW Pro 1994, omdat de wijziging in de Regeling bloed- en urineonderzoek het recht op keuze uit ten minste drie laboratoria voor tegenonderzoek had beperkt, wat strijdig zou zijn met artikel 21 van Pro het Besluit alcoholonderzoeken.
Het hof oordeelde dat het recht op keuze uit drie laboratoria geen onderdeel is van het stelsel van strikte waarborgen die het bloedonderzoek omringen. De betrouwbaarheid van het tegenonderzoek wordt gewaarborgd door de verplichting dat het onderzoek wordt uitgevoerd door een door de minister aangewezen laboratorium volgens vastgestelde analysemethoden. Het hof vond de bezwaren tegen het aangewezen laboratorium onvoldoende onderbouwd en verwierp het verweer.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en herhaalt dat alleen voorschriften die de juistheid en betrouwbaarheid van het bloedonderzoek beogen, tot de strikte waarborgen behoren. De eis van drie laboratoria is een procedurevoorschrift en geen waarborg voor de betrouwbaarheid van het onderzoek. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het bloedonderzoek voldoet aan de strikte waarborgen en de veroordeling blijft in stand.