Uitspraak
zetelende te Den Haag,
wonende te [woonplaats], Suriname,
2.Uitgangspunten en feiten
4.Beslissing
3 april 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft de vaststelling van het Nederlanderschap van een vrouw die in 1954 in Suriname werd geboren, destijds onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden. Zij verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit en woonde van 1974 tot 1999 onafgebroken in Nederland. Na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 behield zij de Nederlandse nationaliteit omdat zij meerderjarig was en in Nederland verbleef.
In 2001 keerde zij terug naar Suriname en verkreeg in 2004 de Surinaamse nationaliteit. De Nederlandse autoriteiten verklaarden toen dat zij haar Nederlanderschap had verloren op grond van het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit, en maakten haar paspoort ongeldig. De vrouw verzocht in 2015 om hernieuwde vaststelling van haar Nederlanderschap, wat werd afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat zij nog steeds Nederlander was omdat de tienjaarstermijn voor verlies van Nederlanderschap niet eerder dan in 2015 kon zijn gaan lopen, op basis van een latere Hoge Raad-uitspraak. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat de tienjaarstermijn reeds in 2004 begon, toen zij zowel de Nederlandse als Surinaamse nationaliteit bezat en in Suriname woonde.
Verder benadrukt de Hoge Raad dat bij vaststelling van verlies van Nederlanderschap het evenredigheidsbeginsel uit het Unierecht moet worden toegepast, waarbij ook herkrijging met terugwerkende kracht mogelijk is. De zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling met inachtneming van deze criteria.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de zaak terug met de uitleg dat de tienjaarstermijn voor verlies van Nederlanderschap op 30 april 2004 begon en benadrukt de toepassing van het evenredigheidsbeginsel.