Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beslissing
14 april 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 oktober 2018. De verdachte werd veroordeeld voor rijden onder invloed van alcohol en zonder rijbewijs, op grond van de artikelen 8.2.b en 9.2 van de Wegenverkeerswet 1994.
In cassatie werd onder meer aangevoerd dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond, maar oordeelde dat gezien de korte opgelegde gevangenisstraf van drie weken en de mate van overschrijding, hieraan geen rechtsgevolg verbonden hoeft te worden.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. Het arrest werd gewezen door de vice-president Van Schendel als voorzitter en de raadsheren Van den Brink en Boerlage, en uitgesproken op 14 april 2020.
Deze uitspraak benadrukt de toepassing van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, waarbij de Hoge Raad niet altijd hoeft te motiveren waarom cassatieklachten worden verworpen indien deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot drie weken gevangenisstraf ondanks overschrijding van de redelijke termijn.