ECLI:NL:HR:2020:679
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Belanghebbende maakte beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een aanslag inkomstenbelasting, boetebeschikking en belastingrente over het jaar 2014. Het beroepschrift voldeed echter niet aan de eisen van artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb, omdat de gronden van het beroep ontbraken.
De griffier van de Hoge Raad stelde belanghebbende bij aangetekende brief in de gelegenheid dit verzuim binnen zes weken te herstellen. Deze termijn verstreek op 26 februari 2020. Een brief van belanghebbende die op 27 februari 2020 binnenkwam, werd buiten beschouwing gelaten omdat deze te laat was ingediend.
De Hoge Raad past artikel 6:6 Awb Pro toe en verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest is gewezen door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools en uitgesproken op 17 april 2020.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden in het beroepschrift.