Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats], Frankrijk,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beslissing
17 januari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime tussen een man en een vrouw die in Jordanië zijn getrouwd. De man woont in Frankrijk en heeft de Franse nationaliteit, de vrouw woont in Nederland en heeft de Nederlandse en Jordaanse nationaliteit. De rechtbank stelde Nederlands recht van toepassing, het hof oordeelde dat Jordaanse soennitische wetgeving van toepassing is op grond van het Huwelijksvermogensverdrag.
De man stelde in cassatie dat toepassing van het Jordaanse recht onaanvaardbaar is op grond van art. 10:9 BW Pro, omdat dit zou leiden tot een onredelijke verdeling van het huwelijksvermogen. De Hoge Raad bevestigt dat het Huwelijksvermogensverdrag een gesloten stelsel van verwijzingsregels bevat dat voorrang heeft op art. 10:9 BW Pro, waardoor dit artikel niet kan worden toegepast om het verdrag te negeren.
De Hoge Raad verwierp de klachten over de toepassing van art. 10:9 BW Pro door het hof en oordeelde dat het hof terecht het Nederlandse recht niet toepaste. Ook werd de klacht over het buiten beschouwing laten van het verweerschrift van de vrouw wegens te late betaling van griffierecht afgewezen. Het incidentele cassatieberoep werd niet behandeld omdat het principale beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het Jordaanse recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen.