Uitspraak
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 januari 2020.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure staat de vraag centraal of bestuurders persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gehouden wegens het doen van een selectieve betaling na het aanvragen van het faillissement van hun vennootschap. De curator vordert betaling van een bedrag dat via een uitzendbureau is voldaan aan een schuldeiser, terwijl het faillissement al was aangevraagd.
De rechtbank wees de vordering af en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof overwoog dat een bestuurder niet persoonlijk aansprakelijk is voor het voldoen van opeisbare schulden, ook niet als dit selectief gebeurt na faillissementsaanvraag, tenzij sprake is van bijkomende omstandigheden zoals samenspanning of persoonlijk voordeel.
De Hoge Raad bevestigt dit standpunt en wijst het cassatieberoep af. Er is onvoldoende bewijs dat de bestuurders persoonlijk ernstig verwijtbaar hebben gehandeld of persoonlijk voordeel hadden. Ook het aandeelhoudersgeschil en pogingen tot regeling met de meerderheidsaandeelhouder rechtvaardigen de betaling.
De Hoge Raad veroordeelt de curator in de proceskosten. Dit arrest bevestigt de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid bij selectieve betalingen in faillissementscontext.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de bestuurders niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor de selectieve betaling.