ECLI:NL:HR:2020:743

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 april 2020
Publicatiedatum
16 april 2020
Zaaknummer
18/03722
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie in het belang der wet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 90 GemeenschapsmodellenverordeningArt. 81 GemeenschapsmodellenverordeningArt. 3 Uitvoeringswet EG-verordening betreffende GemeenschapsmodellenArt. 123 Verordening (EU) 2017/1001 inzake het UniemerkArt. 124 Verordening (EU) 2017/1001 inzake het Uniemerk
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid rechtbanken voor voorlopige maatregelen in zaken over Gemeenschapsmodellen en Uniemerken

Deze zaak betreft een cassatieberoep in het belang der wet ingesteld door de Procureur-Generaal tegen een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. De kernvraag was of de Nederlandse wet (art. 3 Uitvoeringswet Pro EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen) de exclusieve bevoegdheid toekent aan de rechtbank Den Haag voor het treffen van voorlopige en beschermende maatregelen in zaken over Gemeenschapsmodellen.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken, waaronder het tussenarrest van 2 november 2018 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 21 november 2019. Het HvJEU heeft geoordeeld dat de rechtbanken van lidstaten die bevoegd zijn voorlopige maatregelen te bevelen voor nationale modellen, ook bevoegd zijn die te bevelen voor Gemeenschapsmodellen.

Hieruit volgt dat de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag, zoals neergelegd in de Nederlandse wet, in strijd is met artikel 90 van Pro de Gemeenschapsmodellenverordening (GModVo) en dus onverbindend is. De bevoegdheid komt toe aan alle bevoegde rechtbanken volgens de nationale regels. Dit geldt ook voor Uniemerken, waarbij de relevante artikelen van de Uniemerkenverordening gelijkluidend zijn aan die van de GModVo.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep in het belang der wet en bevestigt dat de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag voor voorlopige maatregelen in deze zaken niet geldt. Hiermee wordt de nationale wetgeving in lijn gebracht met het EU-recht.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en verklaart de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag onverbindend.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer18/03722
Datum17 april 2020
ARREST
Op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2017, zaaknummer C13/620280/KG ZA 16-147, ECLI:NL:RBAMS:2017:298.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. zijn tussenarrest in deze zaak van 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2027 (hierna: het
tussenarrest);
b. het arrest in de zaak C-678/18 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 21 november 2019, ECLI:EU:C:2019:998.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep in het belang der wet.

2.Uitgangspunten en feiten

De Hoge Raad verwijst voor de uitgangspunten en feiten, voor de beslissing van de voorzieningenrechter, en voor de vordering van de Procureur-Generaal, naar de rov. 3.2.1, 3.2.2 en 3.3 van het tussenarrest.

3.Verdere beoordeling van het middel

3.1
Het HvJEU heeft (in zijn hiervoor in 1 onder (b) genoemde arrest [1] ) de vraag van uitleg als volgt beantwoord:
“Artikel 90, lid 1, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen moet aldus worden uitgelegd dat het bepaalt dat de rechtbanken van de lidstaten die bevoegd zijn voorlopige of beschermende maatregelen te bevelen voor een nationaal model, tevens bevoegd zijn dergelijke maatregelen te bevelen voor een Gemeenschapsmodel.”
3.2.1
Hieruit volgt dat de in het tussenarrest onder 3.5.2 weergegeven rechtsopvatting de juiste is en dat art. 3 van Pro de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen, [2] dat in zaken van gemeenschapsmodellen de bevoegdheid kennis te nemen ook van vorderingen in kort geding, bij uitsluiting toekent aan de rechtbank Den Haag, in strijd is met art. 90 van Pro de Gemeenschapsmodellenverordening [3] (hierna: GmodVo) en dus in zoverre onverbindend. Die bevoegdheid komt ingevolge de GModVo immers toe aan alle rechtbanken die bevoegd zijn voorzieningen in kort geding te treffen in zaken van nationale modellen. Daarop zijn dus de reguliere nationale bevoegdheidsregels voor nationale modellenzaken van toepassing (zoals neergelegd in art. 4.6 BVIE).
3.2.2
Het cassatieberoep in het belang der wet moet dus worden verworpen.
3.3
Nu de art. 123, 124 en 131 lid 1 van Verordening (EU) 2017/1001 inzake het Uniemerk, [4] voor zover hier van belang, gelijkluidend zijn aan respectievelijk de art. 80, 81 en 90 lid 1 van de GModVo, kan thans redelijkerwijs geen twijfel meer bestaan dat voor de bevoegdheid van de rechtbanken in kort geding in zaken van Uniemerken hetzelfde geldt als hiervoor in 3.2.1 voor zaken van gemeenschapsmodellen is beslist. Ook art. 3 Uitvoeringswet Pro E.G.-verordening inzake het Gemeenschapsmerk [5] is dus in zoverre onverbindend.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
17 april 2020.

Voetnoten

1.HvJEU 21 november 2019, zaak C-678/18, ECLI:EU:C:2019:998
2.Wet van 4 november 2004,
3.Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen,
4.Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk,
5.Wet van 26 maart 1998,