ECLI:NL:HR:2020:759

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2020
Publicatiedatum
17 april 2020
Zaaknummer
17/03328
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420quater.1.b SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep verworpen in zaak schuldwitwassen met gebruik van gefinancierde auto

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch uit juni 2017, waarin verdachte werd veroordeeld voor schuldwitwassen door het voorhanden hebben van een auto die door zijn partner met drugsgeld was gefinancierd. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van verdachte beoordeeld en geconcludeerd dat de klachten over het oordeel van het hof niet leiden tot vernietiging van het arrest.

De Hoge Raad stelt vast dat het hof voldoende heeft gemotiveerd dat sprake was van het voorhanden hebben van de auto en dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld afkomstig was uit drugshandel. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de raadsman van verdachte had hier schriftelijk op gereageerd.

Hoewel de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, acht de Hoge Raad dit niet aanleiding om rechtsgevolgen te verbinden aan deze termijnoverschrijding, mede gezien de opgelegde taakstraf van veertig uur. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het arrest van het hof.

Deze uitspraak bevestigt de strenge toetsing van schuldwitwassen en benadrukt het belang van voldoende motivering door lagere rechters bij het vaststellen van het redelijk vermoeden van betrokkenheid bij witwassen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd met een taakstraf van veertig uur.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer17/03328
Datum21 april 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 juni 2017, nummer 20/001034-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Eindhoven, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van veertig uren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 april 2020.