ECLI:NL:HR:2020:768
Hoge Raad
- Cassatie in het belang der wet
- Rechtspraak.nl
Juridische en medische aspecten van levensbeëindiging bij wilsonbekwame patiënten met een wilsverklaring
Deze zaak betreft de interpretatie en toepassing van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, met bijzondere aandacht voor situaties waarin patiënten niet langer in staat zijn hun wil te uiten, zoals bij dementie of coma.
De wet voorziet in een regeling waarbij een arts een schriftelijke wilsverklaring van een patiënt kan volgen, mits aan strikte zorgvuldigheidseisen wordt voldaan. De arts moet vaststellen dat het verzoek vrijwillig, weloverwogen en duurzaam is geweest en dat sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. Daarbij is het essentieel dat de arts een eigen afweging maakt, ook als de patiënt wilsonbekwaam is geworden.
De discussie spitst zich toe op de betekenis van wilsbekwaamheid, de medische beoordeling van ondraaglijk lijden bij dementie, en de rol van consultatie van een onafhankelijke arts. Er wordt benadrukt dat dementie op zichzelf geen reden is voor euthanasie, maar dat bijkomend lijden dit kan rechtvaardigen. De schriftelijke wilsverklaring fungeert als richtsnoer, niet als bindende opdracht, en de arts behoudt een zelfstandige verantwoordelijkheid.
Verder wordt ingegaan op de noodzaak van heldere formuleringen in wilsverklaringen, het belang van gesprekken tussen arts en patiënt bij het opstellen daarvan, en de juridische positie van vertegenwoordigers en familie. De wetgeving beoogt rechtszekerheid te bieden aan zowel patiënten als artsen, met waarborgen voor zorgvuldigheid en toetsing achteraf.
Uitkomst: De wet bevestigt dat levensbeëindiging bij wilsonbekwame patiënten alleen mogelijk is bij een geldige schriftelijke wilsverklaring en na zorgvuldige medische beoordeling van uitzichtloos en ondraaglijk lijden.