Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beoordeling van het derde middel
6.Beslissing
21 januari 2020.
Hoge Raad
Op 8 maart 2015 reed de verdachte met een crossmotor op een bospad in Overloon dat gesloten was voor motorrijtuigen en waar het openbaar verkeer beperkt was tot wandelaars en fietsers. Tevens bevond hij zich zonder toestemming op een bosweg die toebehoorde aan de gemeente Boxmeer, waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze was verboden. Het hof verklaarde deze feiten bewezen op basis van diverse proces-verbalen, verklaringen van handhavers en getuigen, en de aanwezigheid van duidelijke verbodsborden bij de toegangswegen.
De verdachte voerde aan dat hij de borden niet had gezien omdat hij via een alternatieve route het bos was binnengekomen, maar het hof oordeelde dat dit voor zijn risico kwam en dat de toegang op een voor hem blijkbare wijze was verboden. Ook het verweer dat medeweggebruikers concreet gevaar of hinder moesten hebben ondervonden werd door de Hoge Raad verworpen.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof de bewezenverklaring van de overtredingen van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 en artikel 461 Strafrecht Pro voldoende had gemotiveerd en dat de opvattingen van de verdediging geen steun vonden in het recht. Het cassatieberoep werd verworpen, ondanks een geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, zonder dat hieraan rechtsgevolgen werden verbonden.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaring van het rijden met hoge snelheid op een gesloten bospad en het betreden van verboden terrein.