ECLI:NL:HR:2020:783
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De Hoge Raad beoordeelde onder meer de vraag of de redelijke termijn van berechting was overschreden.
Het Hof had geoordeeld dat sprake was van verknochtheid van zaken, waardoor de termijnen voor bezwaar, beroep en hoger beroep als één geheel konden worden beschouwd. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar eerdere jurisprudentie. Een nieuw middel van belanghebbende werd niet in behandeling genomen wegens termijnoverschrijding.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de hoogte van de vergoeding van immateriële schade betrof. De vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep werd verhoogd tot €3.500, en die in hoger beroep vastgesteld op €500. Tevens werden proceskosten toegewezen aan belanghebbende en werd bepaald dat wettelijke rente gaat lopen indien de vergoeding niet tijdig wordt betaald.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot €3.500 in bezwaar en beroep en €500 in hoger beroep.