ECLI:NL:HR:2020:784
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding in belastingzaak
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Het hof had geoordeeld over de redelijke termijn van berechting en de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding daarvan.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht een verknochtheid van zaken aannam, maar dat de vastgestelde vergoedingen voor immateriële schade onvoldoende zijn. De Hoge Raad verhoogt de vergoeding voor de overschrijding in bezwaar en beroep tot € 2.000 en stelt de vergoeding voor de overschrijding in hoger beroep vast op € 500.
Verder veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën en de Staat in de proceskosten en draagt hen op de helft van het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. De uitspraak van het hof wordt vernietigd voor zover deze de hoogte van de immateriële schadevergoeding betreft. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 24 april 2020 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot € 2.000 en € 500 en veroordeelt de Staat en Staatssecretaris in proceskosten.